Chapter 11/15: De Joden moeten overal herkenbaar zijn

“Ik verplicht me ertoe zorgvuldig en voorzichtig met het kenteken om te gaan en bij het opnaaien op het kledingstuk het randje van de stof rond het kenteken om te slaan.”

Politieverordening over de kenmerking van de Jood — 1941
Een groep vriendinnen in een park in Vorst, Brussel, zomer 1942. Van links naar rechts : Erika Cohn (gedeporteerd en omgekomen), Ida Kagan (gedeporteerd en omgekomen), niet geïdentificeerd, Anna Skala (gedeporteerd en omgekomen), niet geïdentificeerd. © Kazerne Dossin - Fonds Skala

Jodenster

Op grond van de Polizeiverordnung über die Kennzeichnung der Juden moeten vanaf 1 september 1941 alle Joden ouder dan zes jaar oud in het gehele Duitse Rijk de ster dragen. In Polen was dat al het geval vanaf 23 november 1939. Dat kenteken bestaat uit een zespuntige ster (Davidster) uit gele stof ter grootte van een handpalm met in zwarte letters de tekst (in de landstaal) 'Jood'. De Jodenster moet zichtbaar en vast opgenaaid op de linkerkant ter borsthoogte van het kledingstuk gedragen worden. De ster dient om Joden te identificeren, te isoleren en te vernederen. Op die manier wordt een grote kloof geschapen tussen Joden en de rest van de bevolking.

Een oude traditie

Joodse man in de zestiende eeuw in Worms met de voor Joden verplichte gele Jodenring op zijn mantel

In de islamitische wereld werd reeds vanaf de achtste eeuw met behulp van kledingvoorschriften onderscheid gemaakt tussen gelovigen en religieuze minderheden. Zo werden de christenen in Egypte lange tijd gedwongen tot het dragen van een bijzondere dracht (donker gewaad met blauwe of zwarte tulband). In het Middeleeuws Europa werd tijdens het Vierde Lateraans Concilie van 1215 onder paus Innocentius III bepaald dat Joden en Saracenen (moslims) onderscheidende kleding moesten dragen. De historici zijn het oneens of dit gebruik door de kruisvaarders of langs Sicilië, dat een tijdlang islamitisch was, in Europa is geïntroduceerd. De concrete invulling werd aan de lokale autoriteiten overgelaten. In de daarop volgende decennia werd dit standpunt 29 maal herhaald door pausen en concilies. In 1218 werd door Hendrik III van Engeland bepaald dat Joden een teken moesten dragen, terwijl zij van Frederik II op Sicilië vanaf 1221 een blauw teken opgelegd kregen. Ook in de rest van Europa werden dergelijke maatregelen afgekondigd, al zou het tot 1270 duren voordat in het Heilige Roomse Rijk de Jodenhoed verplicht werd gesteld. Na verloop van tijd werd het niet alleen een teken van onderscheiding, maar ook van minderwaardigheid. Het geel dat al door de moslims werd gebruikt voor de Joden — christenen moesten in het islamitische systeem blauw dragen en Samaritanen rood — werd daarbij de dominante kleur. Een uitzondering was de Verenigde Republiek der Nederlanden, waar in 1619 werd bepaald dat Joden geen onderscheidende tekenen hoefden te dragen, wat overigens niet betekende dat er geen beperkende maatregelen waren. De verlichting bracht hierin langzaam verandering. In 1781 werd godsdienstvrijheid afgekondigd in het Heilige Roomse Rijk. Ook veel andere Europese staten schaften rond die tijd de tekens af. De verspreiding van de Franse revolutie speelde een cruciale rol bij het verlenen van gelijke burgerrechten.

Met de Jodenster grepen de nazi’s eind jaren 1930 dus terug op een eeuwenoude traditie. Toch was er veel weerstand, ook van niet-Joden. De Franse collaborerende Vichy-regering weigerde de ster verplicht te maken in de niet-bezette zone van Frankrijk. In Nederland gaf een ondergronds blad uitdrukking aan de solidariteit met de Joden door vele sterren te drukken met het opschrift ‘Joden en niet-Joden zijn gelijk’. In Bulgarije mislukte de introductie van de Jodenster grotendeels omdat burgers uit protest zelf sterren gingen maken en deze dragen. Sommigen plakten daar zelfs een beeltenis van de koning op. Joden die de sterren droegen werden door hun medeburgers toegejuicht en op de schouder geklopt. Na verloop van tijd gaven de antisemieten en Duitsers het op. Ook latere pogingen om de Joden te deporteren werden tegengehouden.

De strijd om de hoofddoek

Het gebruik van - religieuze - symbolen in de openbare ruimte heeft de voorbije decennia tot heel wat verhitte discussies geleid. Het symbool bij uitstek van die strijd is de islamitische hoofddoek. Ook binnen de moslimgemeenschap wordt er een discussie gevoerd over het al dan niet verplicht dragen van het hoofddoek. De Koranverzen zijn voor interpretatie vatbaar. Daarnaast is het ook onduidelijk tot hoever de lichaamsbedekking moet gaan. Sommige zeer extreme interpretaties, zoals die van de Taliban in Afghanistan, verplichten de vrouw tot het dragen van de boerka waarbij het volledige lichaam, de handen en het gezicht bedekt zijn. Wat ook de religieuze rechtvaardiging voor het dragen van de hoofddoek moge zijn, in het Westen is de hoofddoek de inzet geworden van een heftige maatschappelijke discussie. Voor de ene is de hoofddoek het symbool bij uitstek van een onderdrukkende, vrouwonvriendelijke en agressieve islam die haaks staat op de Westerse liberale democratie, voor de andere is de hoofdoek het symbool van een zelfbewuste islam die zich losmaakt uit de koloniale en imperiale greep van het Westen. Voor sommigen is het een symbool van collectieve en ondoordachte onderwerping aan de traditie, voor anderen de individuele keuze van een zich emanciperende moslima. Een klein stukje stof waarover veel misverstanden de ronde doen en waarover scherpe en polariserende discussies gevoerd werden en nog steeds worden!