Inleiding tot Google Earth Engine

Earth Engine Explorer (EE Explorer) is een lichte viewer waarin u georuimtelijke beelden kunt bekijken uit de gegevenscatalogus van Earth Engine. Deze bevat een groot aantal wereldwijde en regionale datasets. U kunt snel gegevens weergeven en overal op aarde inzoomen, plaatsen bekijken en de visualisatie-instellingen aanpassen. Bovendien kunt u gegevenslagen boven op elkaar plaatsen, om te zien hoe een plaats in de loop van de tijd veranderd is.

In deze tutorial leert u hoe u EE Explorer kunt gebruiken. Na afloop kunt u:

  • gegevens vinden in de gegevenscatalogus,
  • gegevens toevoegen aan de werkruimte,
  • uitleggen hoe de interfacefuncties werken,
  • de visualisatie-instellingen aanpassen.

Met deze tutorial willen we u alle ins en outs van EE Explorer bijbrengen. We hopen u te inspireren om nieuwe gegevens te ontdekken en te bekijken. Bovendien willen we laten zien hoe u EE Explorer kunt gebruiken als vertrekpunt voor een uitgebreidere ontdekkingstocht met de andere, nog krachtigere tools van het Earth Engine-platform. Zo kunt u zelf op zoek gaan naar antwoord op vragen over de huidige toestand van de aarde en welke gevolgen de aanhoudende veranderingen hebben voor de wereld om ons heen.

Inhoud van de tutorial

Earth Engine Explorer

Klik op https://explorer.earthengine.google.com om naar EE Explorer te gaan. EE Explorer bestaat uit een geïntegreerde Data Catalog (Gegevenscatalogus) en Workspace (Werkruimte). In de werkruimte kunt u gegevens bekijken en in de gegevenscatalogus kunt u gegevens verkennen en deze naar de werkruimte exporteren. Beide componenten beschikken over knoppen waarmee u kunt schakelen tussen de gegevenscatalogus en de werkruimte. Ook delen beide componenten een zoekbalk waarmee u op zoekwoord of locatienaam kunt zoeken naar datasets en plaatsen. Als u klikt op de bovenstaande link gaat u naar de werkruimte. Deze ziet u op de afbeelding hieronder. Hier brengt u tijdens deze les de meeste tijd door. Maar voordat we gaan beginnen, hebben we eerst nog wat gegevens nodig. Daarom gaan we eerst de gegevenscatalogus bekijken.

Earth Engine Explorer


Gegevenscatalogus

In de gegevenscatalogus vindt u de datasets die beschikbaar zijn voor weergave en analyse in Earth Engine. Een subset van deze gegevens kan in EE Explorer worden weergegeven.

  • Klik rechtsboven in EE Explorer op de knop 'Data Catalog' (Gegevenscatalogus).

De pagina met de gegevenscatalogus bevat een lijst met populaire tags. Als u op deze tags klikt, gaat u naar de datasets waarop de desbetreffende tags zijn toegepast. Daaronder vindt u een lijst met diverse gegevenstypen en meerdaagse mozaïeken, inclusief een directe link naar een selectie van beschikbare datasets en een korte beschrijving hiervan. Gebruik de zoekbalk bovenaan de pagina als u andere datasets wilt bekijken.

  • Klik op een aantal populaire tags om de bijbehorende typen datasets te zien.
    • Als u bijvoorbeeld op toa klikt, krijgt u een lijst met datasets die de reflectie aan de bovenkant van de atmosfeer laten zien.
    • Als u op usgs klikt, wordt een lijst met datasets van de USGS geopend, met onder meer datasets van Landsat, MODIS en afgeleide producten.
  • Klik in de gegevenscatalogus op de tag 32-day om alle mozaïeken met een interval van 32 dagen weer te geven.
  • Selecteer Landsat 8 Collection 1 Tier 1 32-Day NDWI Composite om de bijbehorende informatiepagina te openen (zie hieronder).

Landsat 8 Collection 1 Tier 1

Op deze pagina ziet u uitgebreidere informatie over de geselecteerde dataset, waaronder de naam, een korte beschrijving, een voorbeeldafbeelding en informatie zoals welke datums beschikbaar zijn, de naam van de provider en alle tags voor die dataset. Met de blauwe knop 'Open in workspace' (Openen in werkruimte) kunt u de dataset toevoegen aan de huidige werkruimte (later meer hierover).

U kunt terugkeren naar de gegevenscatalogus door in de browser twee keer op de knop 'Terug' te klikken of door rechtsboven op de knop 'Data Catalog' (Gegevenscatalogus) te klikken.


Werkruimte

In de werkruimte van EE Explorer kunt u datasets beheren en analyseren.

  • Klik rechtsboven op een EE Explorer-pagina op de knop 'Workspace' (Werkruimte).

Werkruimte

In de werkruimte ziet u rechts een kaart en links een ruimte voor een lijst met gegevenslagen. Tenzij u al een dataset heeft toegevoegd aan de werkruimte, is de lijst met gegevenslagen leeg en wordt de Google Maps-terreinlaag weergegeven (zie bovenstaande afbeelding). Hieronder vatten we voor de zekerheid in het kort samen hoe u door de interface van Google Maps kunt navigeren.

  • De kaart verschuiven
    • Rechter- of linkermuisknop ingedrukt houden en slepen.
  • Zoomen
    • Knoppen: Zoom in en uit met de knoppen [+] en [-].
    • Aanwijzer: Zoom in door met de linkermuisknop te dubbelklikken en zoom uit door met de rechtermuisknop te dubbelklikken.
    • Muiswiel: Zoom in en uit door met het muiswiel te scrollen. De muisinstellingen van uw computer bepalen hoe u vooruit en achteruit kunt scrollen.
    • Touchscreen/trackpad: Schuif twee vingers uit elkaar om in te zoomen en beweeg ze naar elkaar toe om uit te zoomen.

    Als u de achtergrond van de kaart wilt wijzigen, gebruikt u de knoppen rechtsbovenaan de kaart om de kaartweergave of de satellietweergave te selecteren. Als u 'Kaart' selecteert, ziet u onder de knop 'Kaart' een selectievakje waarmee u het terrein in plaats van de wegenkaart kunt weergeven. Als u 'Satelliet' selecteert, ziet u onder de knop 'Satelliet' een selectievakje waarmee u de labels (grenzen, landen, steden, watermassa's enzovoort) kunt in- of uitschakelen.

    We gaan nu gegevens weergeven in de werkruimte.


Gegevenslagen beheren

Gegevenslagen toevoegen

  • Klik op de knop 'Data Catalog' (Gegevenscatalogus) om terug te keren naar de gegevenscatalogus.
  • Gebruik de zoekbalk om te zoeken naar MCD43A4.006 MODIS Nadir BRDF-Adjusted Reflectance.
  • Klik op het resultaat om uitgebreide informatie hierover weer te geven. Dit is een MODIS-reflectiemozaïek van de beste pixel in een periode van zestien dagen.
  • Klik op de informatiepagina van de dataset op de blauwe knop 'Open in workspace' (Openen in werkruimte). De werkruimte wordt geopend en u ziet dat de dataset als laag wordt weergegeven.
  • U kunt de informatiepagina ook overslaan en de laag direct vanuit de gegevenscatalogus openen. Dit doet u door naast de naam van de dataset te klikken op de link 'open in workspace' (openen in werkruimte).

MODIS

Nadat u de gegevenslaag heeft toegevoegd, ziet u de dataset boven op de basislaag van Google Maps en staat de naam van de dataset in de lijst met gegevenslagen. Bovendien wordt het dialoogvenster met de visualisatie-instellingen van de laag geopend en rechts van de naam van de dataset weergegeven.

  • Sluit het dialoogvenster 'Layer Settings' (Laaginstellingen). Hier komen we later op terug.
  • Verschuif de kaart en zoom in en uit om een idee te krijgen van hoe de besturingselementen werken. Zoom zo ver mogelijk in op een locatie naar keuze om de maximum resolutie van de dataset weer te geven. De MODIS-gegevens die we in dit voorbeeld gebruiken, hebben slechts een matige resolutie. Elke pixel komt overeen met vijfhonderd meter aan één zijde. Voor deze MODIS-gegevens is gebruikgemaakt van een sinusvormige projectie, wat resulteert in pixels in de vorm van een parallellogram als ze worden weergegeven op een geografisch canvas.
  • Stel de weergave in op een regio met als middelpunt een interessante locatie, bij voorkeur een plek met verschillende typen landbedekking. In deze tutorial maken we gebruik van voorbeelden uit de Verenigde Staten.

Image

Zichtbaarheid van lagen

  • Schakel de zichtbaarheid van een gegevenslaag uit door rechts van de laag op de zichtbaarheidsknop (het oogpictogram) te klikken. U ziet de terreinweergave van Google Maps.
  • Klik opnieuw op de zichtbaarheidsknop (het oogpictogram) om de gegevenslaag weer op de kaart weer te geven.

Zichtbaarheid in-/uitschakelen

Er zijn datasets die alleen op bepaalde zoomniveaus kunnen worden weergegeven. Als u met een Landsat 8-dataset bijvoorbeeld volledig uitzoomt naar een weergave van de hele wereld, is deze dataset niet zichtbaar op de kaart. Dit betekent niet dat deze dataset niet werkt. In een gele balk bovenaan de kaart wordt u gevraagd om in te zoomen zodat de gegevens kunnen worden weergegeven. Bovendien zijn er datasets waarvoor er gegevens ontbreken als gevolg van missende observaties en vanwege gegevensuitsluiting ten behoeve van de kwaliteit. Pixels die deze gegevens vertegenwoordigen zijn volledig transparant, zodat de basislaag van Google Maps zichtbaar is.

Datum van gegevenslagen aanpassen

Als u een laag toevoegt, wordt over het algemeen de nieuwste versie hiervan getoond. U kunt de weergegeven datum(s) aanpassen in het dialoogvenster met de visualisatie-instellingen van de laag.

  • Klik in de lijst met gegevenslagen op de laag MCD43A4 om het dialoogvenster 'Layer Settings' (Laaginstellingen) te openen (zie hieronder).
  • Verander de datum van de weergave door de schuifregelaar te verslepen of op de datumcellen te klikken. U ziet dat de kaart automatisch wordt geüpdatet nadat u dit heeft gedaan.
  • Als u verder wilt teruggaan in de tijd of een specifieke periode wilt selecteren, klikt u op de link 'Jump to date' onder de schuifregelaar en gebruikt u de kalenderweergave om een datum te selecteren. Selecteer bijvoorbeeld een ander seizoen om grotere verschillen op de kaart te zien.

Image

  • Als u de gewenste periode heeft geselecteerd, klikt u op de knop 'Save' (Opslaan) om de laaginstellingen op te slaan. Klik op de knop 'Cancel' (Annuleren) om terug te keren naar de vorige instellingen. Als u het dialoogvenster 'Layer Settings' (Laaginstellingen) sluit zonder de wijzigen op te slaan, worden de eigenschappen van de laagweergave hersteld naar de oorspronkelijke staat.

Image

Meerdere lagen toevoegen

U kunt meerdere gegevenslagen tegelijk op de kaart weergeven door nog meer datasets toe te voegen. Dit doet u door terug te keren naar de gegevenscatalogus en een andere dataset te selecteren. U kunt op een van de volgende drie manieren naar de gegevenscatalogus gaan:

  1. Klik rechtsboven op de knop 'Data Catalog' (Gegevenscatalogus).
  2. Klik op de knop [+] rechtsboven in de lijst met gegevenslagen.
  3. Klik op de link 'Add data' (Gegevens toevoegen) onderaan de lijst met gegevenslagen.

Hoewel dit misschien verleidelijk is, kunt u de zoekbalk beter niet gebruiken. U krijgt dan veel resultaten die niet in EE Explorer kunnen worden bekeken (deze resultaten zijn alleen toegankelijk via Earth Engine zelf). Ziet u een dataset die u als extra laag wilt toevoegen aan de lijst met gegevenslagen in de werkruimte? Klik dan naast de naam op de link 'open in workspace' (openen in werkruimte) of op de informatiepagina op de knop 'Open in workspace' (Openen in werkruimte). De nieuwe gegevenslaag wordt zowel in de lijst als op de kaart boven de huidige gegevenslagen weergegeven. Verderop leest hoe u de volgorde van de lagen kunt wijzigen.

Image

Datasets dupliceren

U kunt dezelfde dataset ook twee keer, als twee afzonderlijke lagen, toevoegen aan de werkruimte. Dit is bijvoorbeeld handig als u twee verschillende perioden voor dezelfde dataset wilt bekijken om de veranderingen in de loop van de tijd te vergelijken. Meer informatie hierover vindt u in het gedeelte 'Wijzigingen in de loop van de tijd visualiseren' verderop.

De volgorde van lagen wijzigen

Als u meer dan één dataset weergeeft op de kaart, wordt de bovenste set in de lijst met gegevenslagen boven op alle onderstaande lagen weergegeven. U wijzigt de volgorde door de muisaanwijzer in de lijst te plaatsen op de sleephandgreep links van de naam van een dataset en deze vervolgens vast te houden en te slepen. In de onderstaande afbeelding is de dataset SRTM Digital Elevation Data Version 4 toegevoegd. Probeer nu zelf een nieuwe laag toe te voegen. Pas de zichtbaarheid van de lagen aan door de volgorde van de lagen te wijzigen. Klik op het zichtbaarheidspictogram om lagen weer te geven of juist te verbergen.

Image

Lagen verwijderen

  • Klik in de lijst met gegevenslagen op de naam van een gegevenslaag om het dialoogvenster 'Layer Settings' (Laaginstellingen) te openen.
  • Klik op de knop met de prullenbak om de laag uit de lijst met gegevenslagen en van de kaart te verwijderen.

Image

Nu u vertrouwd bent met de basisprincipes, kunt u de krachtigere functies van de EE Explorer-werkruimte verkennen. In de volgende gedeelten beschrijven we hoe u de visualisatieparameters van een laag aanpast en wijzigingen in de loop van de tijd visualiseert.


Visualisatieparameters instellen

In het dialoogvenster 'Layer Settings' (Laaginstellingen) ziet u het dropdownmenu 'Visualization Parameters' (Visualisatieparameters). Elke dataset heeft zijn eigen standaardwaarden. Deze kunt u wijzigen om de visualisatie van de dataset aan te passen.

  • Zorg dat het dialoogvenster 'Layer Settings' (Laaginstellingen) geopend is voor MCD43A4.
  • Klik om het dropdownmenu 'Visualization Parameters' (Visualisatieparameters) uit te vouwen als dit nog niet uitgevouwen is.

Image

Reflectiebanden voor gegevensweergave

Gegevens kunnen worden weergegeven als grijstinten in één band, pseudokleuren in één band en RGB-kleuren in drie banden.

  • Weergave in één band is handig als u een enkele ononderbroken variabele wilt bekijken, zoals de hoogte, vegetatie-indexen zoals de NDVI of de neerslag.
  • Weergave in drie banden is handig als u beelden bekijkt waarbij de drie geselecteerde banden zijn toegewezen aan respectievelijk de kleuren rood (R), groen (G) en blauw (B). Doordat de banden worden gemengd in de RGB-kleurruimte ontstaat de uiteindelijke weergavekleur. Op deze manier worden natuurlijke en valse kleuren gevisualiseerd.

Eén band als grijstinten

Sommige gegevens beschikken over slechts één band en worden daarom standaard in één band weergegeven. Gegevens met meerdere banden worden standaard in drie banden weergegeven. U kunt er echter ook voor kiezen om deze gegevens in één band als grijstinten weer te geven. Bovendien kunt u gegevens met één band weergeven als RGB in drie banden, maar dit heeft verder geen invloed op de weergave van de kaart. We gaan nu uitproberen hoe de visualisatie van één band werkt. Dit doen we door een hoogtelaag te gebruiken en de reflectiegegevens van MCD43A4 Nadir in één band te bekijken.

  • Gebruik een van de hierboven genoemde methoden om naar de gegevenscatalogus te gaan. Zoek naar de dataset SRTM Digital Elevation Data Version 4 en voeg deze toe aan de werkruimte. De gegevens worden bovenaan de lijst met gegevenslagen en op de kaart weergegeven. U ziet dat de hoogte boven zeeniveau wordt weergegeven als een kleurovergang van zwart (laaggelegen gebieden) tot wit (hooggelegen gebieden).
  • Open het dialoogvenster 'Layer Settings' (Laaginstellingen) als dit nog niet geopend is. U ziet dat het keuzerondje '1 band (Grayscale)' (Eén band (Grijstinten)) is ingeschakeld. Dit betekent dat er maar één band voor deze dataset is. Klik op het dropdownmenu voor bandselectie om te controleren of dit klopt.

Image

  • Sluit het dialoogvenster 'Layer Settings' (Laaginstellingen) en plaats de reflectiegegevens van MCD43A4 Nadir bovenaan de lijst met gegevenslagen of wijzig de zichtbaarheid van de lagen zodat deze laag op de kaart wordt weergegeven.
  • Klik op de naam van deze laag om het dialoogvenster 'Layer Settings' (Laaginstellingen) in te schakelen. U ziet dat bij deze dataset het keuzerondje '3 bands (RGB) (Drie banden (RGB)) is ingeschakeld. Dit geeft aan dat het hier gaat om een laag met meerdere banden. U kunt er echter voor kiezen om deze laag in één band als grijstinten weer te geven. Dit doet u door het keuzerondje '1 band (Grayscale) (Eén band (Grijstinten)) in te schakelen.
  • Schakel het keuzerondje '1 band (Grayscale) (Eén band (Grijstinten)) in.
  • Klik op het dropdownmenu voor bandselectie en kies een andere band die in grijstinten moet worden weergegeven.
  • Klik op de knop 'Save' (Opslaan) nadat u een andere band heeft geselecteerd. U ziet dat de kaart niet meer in kleur wordt weergegeven, maar in grijstinten. De door u geselecteerde band wordt nu weergegeven als een kleurovergang van zwart (lage reflectie) tot wit (hoge reflectie).

U kunt een voorbeeld van de wijzigingen bekijken door op de knop 'Apply' (Toepassen) te klikken. Hierdoor worden de wijzigingen op de kaart weergegeven, maar blijft het dialoogvenster 'Layer Settings' (Laaginstellingen) geopend en kunt u zo nodig aanpassingen maken.

Drie banden (ware kleuren)

We gebruiken de gegevens van MCD43A4 opnieuw als voorbeeld om u meer te vertellen over de weergave in drie banden en hoe u de kleurtoewijzing aan de verschillende banden kunt wijzigen.

  • Zorg ervoor dat de gegevenslaag MCD43A4 bovenaan de lijst met gegevenslagen staat en dat deze zichtbaar is.
  • Klik op de naam van de gegevenslaag om het dialoogvenster 'Layer Settings' (Laaginstellingen) te openen en zorg ervoor dat het keuzerondje '3 Bands (RGB)' (Drie banden (RGB)) is geactiveerd.
  • Klik op de dropdownmenu's voor rood, groen en blauw om te zien welke bandnaam aan de kleuren is toegewezen.

Image

  • Zorg ervoor dat de Nadir-reflectiebanden 1, 4 en 3 zijn toegewezen aan respectievelijk rood, groen en blauw. Klik vervolgens op de knop 'Save' (Opslaan). Op de kaart wordt de landbedekking nu weergegeven zoals we deze ook in het echt waarnemen.

Als u naar de informatiepagina over de gegevenslaag gaat, ziet u dat deze drie banden zijn toegewezen aan reflectie met verschillende golflengtes. In dit geval geeft band 1 de reflectie-intensiteit in het blauwe deel van het elektromagnetisch spectrum weer, band 4 de reflectie-intensiteit in het groene deel en band 3 de reflectie-intensiteit in het rode deel. Door rode, groene en blauwe reflectiebanden te koppelen aan een rode, groene en blauwe weergavekleur, krijgt u natuurlijke kleuren die erg lijken op wat we zien als we het landschap bijvoorbeeld vanuit een vliegtuig bekijken.

Image

Drie banden (valse kleuren)

Door het gebruik van natuurlijke kleuren op kaarten kunnen we ons een goed beeld vormen van de omgeving. Maar door reflectiebanden die niet waarneembaar zijn voor het menselijke oog, toe te wijzen aan RGB-kleuren kunnen we landschappen op een heel nieuwe manier bekijken. Gegevensweergaven van dit type worden ook wel valsekleurencomposieten genoemd. Vaak bevatten ze een weergave van het zichtbare deel van het elektromagnetisch spectrum, evenals van nabij-infrarood (NIR) en kortegolfinfrarood (SWIR). Valse kleuren kunnen contrasten tussen en binnen landschappen accentueren, wat ten goede komt aan bepaalde aspecten van de interpretatie van beelden. Ter illustratie gaan we de 'standaard' valsekleurencomposiet visualiseren, waarbij de NIR-reflectieband en de rode en groene reflectiebanden respectievelijk in het rood, groen en blauw worden weergegeven.

  • Open het dialoogvenster 'Layer Settings' (Laaginstellingen) voor MCD43A4.
  • Zorg dat het keuzerondje '3 Bands (RGB)' (Drie banden (RGB)) is ingeschakeld.
  • Stel de dropdownmenu's voor rood, groen en blauw in op respectievelijk Nadir-reflectiebanden 2, 1 en 4.
  • Klik op de knop 'Save' (Opslaan) om de wijzigingen toe te passen op de weergave van de kaartlaag en sluit het dialoogvenster 'Layer Settings' (Laaginstellingen). U ziet een opvallende wijziging: de vegetatiekleur verandert van groen in rood.

Image

Contrast, helderheid en ondoorzichtigheid

Gegevensbereik

Het contrast en de helderheid van beelden kunnen worden aangepast met de minimum en maximum parameters voor 'Range' (Bereik) en de parameters voor 'Gamma'. Bij gegevensvisualisatie moet voor elke weergegeven band het opgegeven waardebereik tussen 0 en 255 liggen. Met de bereikparameters kunt u het bereik van de weergegeven waarden aanpassen. De opgegeven minimum waarde wordt in de weergave ingesteld op 0 en de maximum waarde op 255. Alle tussenliggende waarden worden lineair ingesteld. Gegevens buiten het minimum en maximum bereik worden ingesteld op 0 (als ze lager zijn dan het opgegeven bereik) of 255 (als ze hoger zijn dan het opgegeven bereik). We gaan nu wat meer contrast toevoegen aan een begroeide regio, zodat subtiele verschillen in de begroeiing beter zichtbaar zijn.

  • Ga naar het oosten van de Verenigde Staten in de 'standaard' valsekleurenweergave die u in het vorige gedeelte heeft toegepast.
  • Open het dialoogvenster 'Layer Settings' (Laaginstellingen) en stel de parameter 'Range' (Bereik) in op een minimum van 2000 en een maximum van 5500.
  • Pas de nieuwe instelling toe door op de knop 'Save' (Opslaan) te klikken.

U ziet dat het contrast groter is geworden en dat rode gebieden er minder verzadigd uitzien. We hebben het zichtbare gegevensbereik verkleind en het verschil benadrukt tussen hoge reflectie (rood) en lage reflectie (nabij-infrarood).

Image

Gamma

Het gamma is de relatie tussen een waarde en de luminantie waarmee deze wordt weergegeven. Grofweg geldt dat als u het gamma verhoogt, de intensiteit toeneemt van de waarden in het midden van het visualisatiebereik. Dit betekent dat de helderheid en het contrast van beelden wordt aangepast.

  • Open het dialoogvenster 'Layer Settings' (Laaginstellingen) opnieuw voor het gegevensbereik dat u hierboven heeft aangepast en stel 'Gamma' in op een lagere waarde, zoals 0.75.
  • Pas de wijziging toe. U ziet dat het contrast nog groter is geworden.

Image

Ondoorzichtigheid

Als beelden ondoorzichtig zijn, betekent dit dat ze niet transparant zijn. De ondoorzichtigheid wordt aangegeven op een schaal van 0 tot 1, waarbij 0 transparant is en 1 ondoorzichtig. Deze instelling is handig als u de bovenste gegevenslaag wilt blijven zien, maar ook informatie uit onderliggende lagen wilt kunnen bekijken. In het onderstaande voorbeeld is 'Opacity' (Ondoorzichtigheid) ingesteld op 0.6, waardoor de onderliggende Google Maps-terreinlaag nog net te zien is. Met deze gegevensweergave kunt u bepalen welke staten in de opgegeven periode (in dit geval op 23 mei) de grootste begroeiing hebben.

Image

Als u 'Range' (Bereik), 'Gamma' en 'Opacity' (Ondoorzichtigheid) instelt voor gegevens, is dit van toepassing voor weergaven in zowel drie banden als één band.

Palet

Met een palet kunt u kleuren toewijzen aan het bereik van waarden in een dataset voor weergave in één band (grijstinten). Een palet is een reeks hexadecimale kleurwaarden. Als u twee waarden opgeeft, wordt de kleur van de minimum en maximum waarde van de dataset expliciet ingesteld. Alle tussenliggende waarden worden toegewezen aan een lineaire interpolatie van de kleurovergang. Zo wordt het digitale hoogtemodel van SRTM bijvoorbeeld standaard weergegeven in grijstinten, maar we kunnen dit ook in groentinten weergeven. De laagste hoogtepixels zijn dan zwart en de hoogste hoogtepixels groen (de waarden voor 'laagste' en 'hoogste' worden opgegeven met de parameter 'Range' (Bereik)).

  • Zorg dat de SRTM-dataset bovenaan in uw lijst met gegevenslagen staat.
  • Open het dialoogvenster 'Layer Settings' (Laaginstellingen) en schakel het keuzerondje 'Palette' (Palet) in.
  • Gebruik de knop [+] of het bewerkingspictogram (potlood) om de kleuren zwart en groen op te geven of te selecteren als de minimum en maximum waarden voor de geselecteerde band (000000, 32cd32).
  • Klik op de knop 'Apply' (Toepassen) en pas vervolgens de minimum en maximum waarden voor 'Range' (Bereik) aan totdat u tevreden bent met de weergave van de kleuren voor de desbetreffende regio.

Image

U kunt ook andere kleuren toevoegen aan het palet. Visualiseer de SRTM-hoogte met het volgende palet:

000004, 2c105c, 711f81, b63679, ee605e, fdae78, fcfdbf, fdffe5

  • Kopieer en plak de bovenstaande paletkleuren in de paletbewerker (potloodpictogram).
  • Pas de wijzigingen toe en pas vervolgens de minimum en maximum waarden voor 'Range' (Bereik) aan totdat u tevreden bent met de weergave van de kleuren voor de desbetreffende regio.

Image

Wijzigingen in de loop van de tijd visualiseren

Een van de interessante mogelijkheden van EE Explorer is dat u wijzigingen in de loop van de tijd kunt visualiseren. Hiervoor moet u dezelfde dataset als twee afzonderlijke lagen aan uw werkruimte toevoegen en deze instellen op verschillende perioden. In het onderstaande voorbeeld ziet u hoe u de snelle stadsuitbreiding van Las Vegas in de Amerikaanse staat Nevada kunt visualiseren.

  • Ga naar de werkruimte, zoek naar 'Las Vegas, NV' in de zoekbalk en zoom hierop in.
  • Verwijder alle lagen uit de lijst met gegevenslagen (of schakel de lagen uit).
  • Voeg de dataset Landsat 5 TM Collection 1 Tier 1 32-Day TOA Reflectance Composite toe aan de werkruimte.
  • Voeg deze nogmaals toe als tweede identieke laag.
  • Stel in het dialoogvenster 'Layer Settings' (Laaginstellingen) de periode van de bovenste laag in op 'Aug 13, 2011 - Sept 14, 2011' en de periode van de onderstaande laag op 'Aug 13, 1986 - Sep 14, 1986'.
  • Als u de zichtbaarheid van de bovenste laag in- en uitschakelt, ziet u hoe de stad in deze periode van 26 jaar gegroeid is.

Image

Image

In de twee bovenstaande afbeeldingen ziet u dat het stedelijke gebied in 2011 veel groter was dan in 1986. In dit voorbeeld is er een valsekleurenweergave ingesteld voor de Landsat 5-banden 5, 4 en 2 (respectievelijk rood, groen en blauw). Dit zorgt ervoor dat het contrast tussen vegetatie en woestijn beter zichtbaar is.

In de volgende afbeelding ziet u een praktisch voorbeeld van een vergelijking tussen twee perioden. Hierbij zijn twee screenshots van EE Explorer samengevoegd en zijn er opmerkingen toegevoegd met informatie over de verandering in landbedekking die door Landsat is vastgelegd. In het voorbeeld ziet u hoe een open steenkoolmijn zich tussen 1984 en 2011 heeft uitgebreid in de buurt van Elkford, een plaats in het Canadese British Columbia. Bovendien is goed te zien dat er in die periode ook veel bomen zijn gekapt.

Image


Aandachtspunten

Hieronder volgt een lijst van mogelijk onverwacht gedrag en onlogische kenmerken van EE Explorer en datasets. Houd deze punten in gedachten als u EE Explorer gebruikt:

  • Landsat-beelden kunnen niet voor de hele wereld worden weergegeven. U moet een aantal niveaus inzoomen. Als het beeld niet wordt weergegeven op de kaart, wordt u in de gele balk bovenaan de pagina gevraagd om in te zoomen.
  • Elke dataset is afkomstig van een satelliet die werkt (of heeft gewerkt) gedurende een specifieke periode. Landsat 5 stuurt bijvoorbeeld sinds november 2011 geen gegevens meer, terwijl Landsat 8 hiermee in juni 2013 is begonnen.
  • Elke satelliet heeft zijn eigen omloopsnelheid. MODIS draait elke dag een baan om de aarde. Dit betekent dat er dagelijks nieuwe beelden beschikbaar zijn voor vrijwel de hele aarde. Landsat komt slechts eens in de zestien dagen over. Bovendien ontbreken er bij bepaalde satellieten gegevens voor sommige plekken op aarde. Zo heeft Landsat 5 voor veel plekken geen gegevens, vanwege beperkingen op het gebied van het vastleggen en opslaan van gegevens.
  • Ontbrekende gegevens worden transparant weergegeven. Dit betekent dat de basislaag van Google Maps zichtbaar is.
  • Op sommige plaatsen is het bijna altijd bewolkt, waardoor er geen duidelijke beelden van bestaan. Bij bepaalde datasets wordt aangegeven dat er voor deze gebieden gegevens ontbreken.
  • Op 31 mei 2003 was er een gedeeltelijke storing in het beeldvormingssysteem van Landsat 7. Hierdoor ontbreken er gegevens in elk Landsat 7-beeld dat sindsdien is vastgelegd. Dit resulteert in de desbetreffende beelden in lange stroken, zoals u ziet op onderstaand screenshot. Dit probleem kunt u vermijden door een samengestelde dataset van 32 dagen te gebruiken. De gaten worden dan opgevuld door beelden van verschillende momenten te combineren.

Image


Heeft u feedback voor ons?


Volgende stappen

Google Earth Engine heeft nog meer geavanceerde functies waarmee u bijvoorbeeld landbedekking kunt classificeren, datasets kunt downloaden en uw eigen algoritmen voor gegevensanalyse kunt maken. Meld u aan op earthengine.google.com/signup om gebruik te maken van deze geavanceerde functies van Earth Engine.


Heeft u feedback voor ons?

Als u feedback heeft over de functionaliteit of gebruikersinterface, kunt u contact met ons opnemen, zodat we hier rekening mee kunnen houden bij de verdere ontwikkeling en verbetering van Google Earth Engine. U kunt uw feedback het best delen via de link Send Feedback (Feedback sturen) die rechtsboven op elke pagina van Earth Engine wordt weergegeven.